Parijs

4
3858

Op 1 van mijn woongroepen voor ouderen met dementie woont tante Dien. We noemen haar allemaal zo: dit is met haar familie afgesproken. Naar mevrouw luistert ze niet, naar tante Dien wel. Ik moet eerlijk zeggen dat het me aanvankelijk moeizaam afging om haar met tante Dien aan te spreken. Van huis uit ben ik opgevoed met “u” en “mevrouw”, tegen mijn patiënten al helemaal. Zo is het mij ook op mijn opleiding geleerd: patiënten zijn “u”, mevrouw of meneer. Dat schept een prettige professionele afstand.

Dat werkt dus niet bij tante Dien en meer van haar groepsgenoten. Werken met ouderen met dementie vraagt juist om contact, aandacht en liefde; niet om afstand. En met dat besef werd het opeens heel logisch om haar ook tante Dien te noemen.

Tante Dien was die middag rustelozer dan anders. Op zoek naar iets, maar wat? Ik sluit bij haar rusteloze wandeling over de afdeling aan, al snel haakt ze haar arm in die van mij. “Gezellig”, verzucht ze met een klein kneepje in mijn arm. “Zoek je wat?” vraag ik. Het antwoord is nee. “Je hebt geen rust in je gat” zeg ik. Daarop antwoordt ze met een grijns “Ja”. “Zullen we de hort op?” vraagt ze. “Prima idee, waar wil je heen, Parijs?” opper ik. Haar ogen beginnen te glimmen: “Parijs… Daar ben ik nog nooit geweest. Das wel ver. Hoe gaan we daar heen?” Ik vertel haar dat ik met de auto ben, m’n tank vanochtend heb vol gegooid en dat we zo kunnen vertrekken. Ze roept: “Ja! Ik pak m’n tas in”. Onderweg naar haar kamer voor de tas bedenkt ze zich opeens. “Toch te ver, dat Parijs. Mijn ouders komen zo thuis, dan gaan ze me zoeken”. Opeens angst en verdriet in het net nog zo blije gezicht van tante Dien. Het idee dat haar ouders zich zorgen om haar maken stemt haar somber. Om haar gerust te stellen, stel ik voor om eerst de komst van haar ouders af te wachten. Dat brengt rust. Ze praat daarna honderduit over haar ouders, hun harde werk op de boerderij en dat ze ze al best lang niet gezien heeft. Dan is haar aandacht voor mij op. Ze loopt weg, opnieuw zoekend naar iets. Ze gaat op een stoel in de gang zitten, in haar eigen wereld verzonken.

Als ik een half uurtje later langs haar loop, zit ze daar nog steeds. “Dag tante Dien, fijne avond” zeg ik. Ze roept me na: “Laiverd! Doe je voorzichtig onderweg naar Parijs? Het is zo’n eind in de auto. Niet te hard rijden hoor!”

© Inge Rinzema 2016

Sommige details in Inge haar verhalen die herleidbaar zijn naar patiënten en/of specifieke situaties zijn in verband met privacy aangepast of verwijderd. Daarnaast kunnen er ook fictionele elementen zijn toegevoegd. 

4 REACTIES

  1. OOOh wat heerlijk om te lezen, ga vooral door om de voornaam te noemen in de zin die je gebruikt.
    Ik spreek uit ervaring want mijn moeder zat ook in een verpleeghuis met denk ik dezelfde norm n.l. Meneer of Mevrouw klinkt zo deftig. Daarom herhaaldelijk gevraagd aan het verplegend personeel om mijn moeder met “Annie”of “vrouw Annie” aan te spreken, daarop reageert ze wel. En net wat jij schrijft lijkt dat toch een drempel te kunnen zijn. Hoe verhoudt zich de professionele afstand/ houding tot het maken van contact in de demente wereld van je patiënt/ bewoner. Ben je bereid om je in de waarden en normen van je klant te verdiepen of hou je een afstandelijke “Mevrouw/ meneer” aan? Bedenk dan de volgende vraag: Wat levert het de bewoner op? daar gaat het om!

  2. Als ik later oud ben en naar een verpleeghuis moet, kan ik maar een ding wensen. Een Liefdevolle benadering zoals jij het beschrijft. 🙂

  3. Ik wil nu dat ze me bij mijn voornaam noemen dus wil ik dat later ook. En in de thuiszorg komt dit gelukkig ook steeds vaker voor. Het was in het begin wel een drempel die je over moet. Want je leert altijd beleefd te zijn naar oudere mensen toe te zijn. Maar sinds ik ook een dementerende cliënt erbij heb is het wel gemakkelijker geworden.

  4. Toen ik dit las moest ik gelijk aan een oude cliënt van thuiszorg denken.
    Zij was naar De Enk in Zuidlaren verhuisd een jaar of 4 geleden.
    En als ik bij haar langs ging, wou ze ook met mij mee terug naar Groningen.
    Of ze wou op de fiets naar haar ouders toe
    Dan ging ik haar afleiden met wacht maar tot morgen, dan komen ze wel langs.
    Of het is nu veel te koud om heen te gaan, morgen maar met de auto.
    Gelukkig werkte het wel.
    Ik mocht haar ook wel bij de voornaam, Ans, noemen.
    Alweer 2 jaar geleden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

− 6 = 2