Vastklampen

0
1184

Je pakt mij hand en houdt deze stevig vast. Je wil dat ik bij je blijf, niet meer gaat. Je vraagt of ik je kan helpen. Ik kniel naast je neer en vraag waarmee ik je kan helpen. Je kijkt me aan en weet het niet meer. Uiteindelijk zeg je dat je in de stoel wil zitten. Als ik zeg dat je al in je stoel zit kijk je me verslagen aan. Nog steeds heb je mijn hand vast, heel stevig zodat ik niet weg kan. Je wil niet dat ik weg ga, maar je weet ook niet hoe je me bij je kan houden.

Daar ga je weer, op en neer over de gang, rollend in je rolstoel. Iedereen vragend om je te helpen, proberend in contact te komen. De onrust in je ogen, het is hartverscheurend. Ik praat even met je, kijken of je zin hebt in een activiteit. Dat wil je allemaal niet, je wil alleen iemand hebben die bij je is. Mijn telefoon gaat, ik moet weer verder. Je wordt boos als ik dit zeg. Je had even de aandacht die je nodig had.

Geen oude bomen verplaatsen

Ondertussen ben je een eeuw oud en je woont al 10 jaar bij ons. Op onze somatische afdeling ben je totaal niet op je plek. Je staat bovenaan op een wachtlijst om naar een PG afdeling te gaan. Om hiervoor te zorgen zijn er veel gesprekken geweest met je familie, in totaal een jaar durend. ‘Oude bomen moet je niet verplaatsen’ was heel lang het standpunt van je familie. Ze hebben uiteindelijk ingestemd maar of ze er ook echt achter staan betwijfel ik.  In de afgelopen maanden zijn er al verschillende plaatsten vrij gekomen. Steeds geen goed moment volgens je familie, dus ben je nog steeds bij ons. Bestaat er dan wel een ‘goed’ moment om over te gaan? Wat ik wel weet is dat je dit niet verdient. Je verdient zoveel meer. De aandacht die je nodig hebt, de nabijheid, de rust. Wij zijn niet gespecialiseerd in je ziektebeeld, kunnen niet alles bieden wat jij verdient. Ik vraag me soms af, waarom familie zo’n grote stem kunnen uitdrukken op het moment van overplaatsen. Ik heb er echt moeite mee. Ik vraag me af, als je nu wel op de PG afdeling zat, had je dan meer rust in je hoofd?

De arts heeft zonodig tabletten voorgeschreven voor je onrust. Toch hebben we deze nog nooit aan je gegeven. Elke dag ga je weer, op en neer over de gang. Mensen aanklampen om je te helpen, handen die je niet meer laat gaan. Vandaag vertelde je me dat je naar je moeder wilde, je had haar al zolang niet meer gezien. Je was vastbesloten en blij. Je had je zinnen erop gezet, vandaag zou je daar op bezoek gaan. Ik heb alleen naar je geluisterd, ik heb er niet op gereageerd.

Het is 14.00 uur en ik loop langs je kamer. Ik zie dat je al bezig bent om je pyjama aan te trekken. Ik loop bij je naar binnen en vraag wat je aan het doen bent. Je wil naar bed, slapen, want het is al zo laat. Ik laat je naar buiten kijken en vertel dat het middag is. Je kijkt terug naar mij, met een niet begrijpende blik. Je legt je pyjama weer weg. Je lacht naar me maar ik zie dat het geen echte lach is, je ogen lachen niet mee. Na een half uur zie ik je weer bezig, nu heb je je pyjama al aan. Je staat op het punt om in bed te stappen. Ik loop binnen en je kijkt me verslagen aan. Ik doe een poging om je gewone kleding weer aan te doen. Je komt weer in de stoel en vindt dat een goed idee. Als je een uur later, met pyjama en al in bed ligt, doe ik geen moeite meer. Ik kom straks wel terug om te vragen of je wat wil eten, nu laat ik je lekker liggen. Een dankbare blik zie ik in je ogen. Ik wens je welterusten en weet dat morgen er hetzelfde uit zal zien als vandaag voor je, bij ons op de afdeling.

Geschreven door Suzanne

LAAT EEN REACTIE ACHTER