Palliatief

0
3507

Ik kon tijdelijk zorgvragers begeleiden op het kortverblijf van een woon-zorgcentra; het was een dienst met een plafond van tien bewoners.

In de vroege namiddag hoorde je hoe een vrouwenstem zich verspreidde door de toen zo rustige gang. Zonder tussenpozen bleef deze stem haar relaas doen; je kon horen hoe woorden oversloegen in een paniek. Uit de achterste kamer waar de deur een beetje openstond, daar kwam het vandaan.

Het was de kamer van een dame achteraan in de vijftig. Het verblijf diende om even een rustpauze te nemen, voor haarzelf en haar man die als mantelzorger liefdevolle zorgen gaf. Deze beslissing hadden beide genomen na de zoveelste chemokuur. Het was even genoeg geweest. Meermaals per dag kwam er bezoek langs. De betrokkenheid was dan ook groot. Regelmatig voerden wij diepe gesprekken waar meer vragen naar boven kwamen, waar alleen jij een antwoord op kon geven. Het was twijfelen of je nog terug naar huis kon gaan. De laatste chemo had je uitgeput.

Zacht klopte ik op de deur bij het binnengaan. Het was de stem van je dochter die oversloeg alsof zij geen vat kreeg op haar woorden. Moeder en dochter zaten tegenover elkaar, zij op een stoel en moeder op haar bed, waar zij met gebalde vuisten op steunde.
“Mama, ik begrijp het niet, zeg het maar tegen de zuster wat je zojuist aan mij vertelde, zeg het maar mama; dat je het hebt opgegeven. Ik wil dat niet mama! Ik wil dat je ervoor blijft gaan dat jij terug kan hopen en dromen, ik heb je nodig, wij hebben jou nodig mama!” Tussen het snikken door kwamen de volgende woorden naar boven; “Ik kan en wil jou niet loslaten.”

Ik zag hoe het gesprek de moeder uitputte, hoe breekbaar je overkwam.
“Zuster, wilt u even bij ons blijven ik wil graag iets vertellen.” Voorzichtig zocht jij je dochters hand verstrengelde deze in de jouwe. “Ik kan niet meer en ik wil niet dat deze ziekte die door mijn lichaam raast een verlenging krijgt op mijn leven, van hoeveel? Een paar maanden? Doodziek zal ik zijn na de zoveelste chemokuur. Denk jij nu echt dat ik niet meer hoop en droom? Weet jij wat ik verlang mijn kind; buitenkomen in de zon, gaan wandelen, haar warmte op mijn gezicht voelen, samen met jou en je vader nog eens uiteten gaan. Ik ga sterven, dat weet ik, maar de vraag is hoe wil ik sterven? Mag ik dan niet kiezen? Om op het laatste alles te beleven zonder ziek te zijn, voluit genieten, om nog eens echt samen te zijn met mijn gezin. Hoe pijnlijk het ook mag zijn, dat is wat ik wil.”

Het waren krachtige woorden.

“Zuster, kan je haar helpen? Om het te begrijpen.” Ik zag hoe het breekbare van jou zich verplaatste naar je dochter en naar mijzelf . De vertrouwde huisarts, maakte de dag nadien tijd vrij, op het afgesproken uur in het bijzijn van moeder en vader kreeg jij een heel duidelijk beeld over hoe deze ziekte verliep, over het uitstel dat gegeven kon worden, maar zonder een toegevoegde waarde. Ik kon alleen maar hopen dat jij de waarheid zou aanvaarden.

Door An de Bock

LAAT EEN REACTIE ACHTER