Je bent een kattenkop

0
248

Enkele jaren geleden ben ik, zoals gebruikelijk, aan het werk op de eerste dag van het jaar. Er liggen niet veel patiënten op de afdeling, maar de dames die er liggen zijn ernstig ziek.

Mijn ziekste patiënt is een vrouw van halverwege de zeventig. Zij heeft kanker en is in haar laatste levensfase beland. Haar pijn is ondraaglijk geworden en daarom mag ze aan de morfinepomp. Ze krijgt tien milligram per uur en dat is best een hoge dosering.

De bijwerking van de morfine wordt al snel duidelijk. Mevrouw Veen raakt in de war. Als ik in de middag naast haar bed sta, is ze nog redelijk helder van geest, maar zodra het buiten donker wordt raakt ze verder in haar delier.

Ik zit net aan mijn Appie salade als ze belt. ‘ Je moet het me nu vertellen’, snerpt ze. ‘ Een van je kinderen is zwanger en ik wil van je weten wie het is.’ Ojee, dit gaat mis, denk ik. ‘Nee, hoor, er is niemand van mijn kinderen zwanger, dus ik kan u niks vertellen’. ‘ Je hoeft niet zo kattig tegen me te doen. Ik ken je niet eens’, antwoordt ze verbolgen. Ze grijpt mijn pols en laat niet meer los. Ik zie mijn arm rood kleuren, maar wil geen geweld gebruiken om mij los te krijgen. ‘Zeg het’, gromt ze boos. Ik blijf haar glimlachend toespreken en tien minuten en een lange discussie verder, kan ik voorzichtig mijn arm losmaken.

Niet veel later meldt zich een patiënt die voor een opname komt en de volgende dag geopereerd wordt. Een lieve oude dame, waar ik even de tijd voor wil nemen. Ik installeer haar in de kamer die naast die van mevrouw Veen ligt. Ik houd een opnamegesprek en vertel haar wat haar allemaal te wachten staat.  ‘Help, help me dan’, hoor ik de buurvrouw ineens roepen. ‘Sorry, zo terug’, mompel ik , en loop de andere kamer in.

Mevrouw Veen heeft de lakens van zich af geworpen. Druppels bloed lopen langs haar linker arm. Ze heeft haar infuus eruit getrokken. ‘Oeps, nu kan ik u geen morfine meer geven’ vertel ik haar. ‘Kan mij dat nou schelen’, schreeuwt ze. ‘Je moet me helpen, want ik wil dood en dat moet jij voor me doen’. Rustig leg ik haar uit dat ik dat niet mag doen, maar dat ik de arts zal vragen om met haar te komen praten.

Als de arts naast het bed zit, wordt mevrouw Veen rustig. Helaas gaat bij de dokter na vijf minuten de pieper af en ze holt naar de volgende afdeling. Ze spreekt nog snel een rustgevend middel af.

Het middel werkt niet. Als ik na mijn avondronde bij mevrouw langs loop ligt ze glunderend in bed. In haar hand heeft ze haar blaas katheter. Die heeft ze er met fixeerballonnetje en al uitgetrokken. ‘Dat deed zeker wel pijn?’, vraag ik zuchtend.  Ja, daarom is hij er uit. Ik ben zwanger en dan mag je geen katheter hebben’, voegt ze er zelfverzekerd aan toe.

Na de patiënten overdracht aan de nachtploeg, loop ik nog even haar kamer in. ‘Dahag, ik ga naar huis. U vindt mij toch een kattenkop, dus u gaat mij vast niet missen.’ Ik knipoog naar haar. Schaterlachend zwaait ze me uit.

Geschreven door Paula Groendijk
Verpleegkundige LUMC

LAAT EEN REACTIE ACHTER