Zeg schat, hoe is je naam

0
572

In gedachten overloop ik nog even wat er op de briefing staat: de dochter heeft gevraagd om haar vader te helpen met zijn dagelijkse bezigheden. Haar vader gaat achteruit en het verward zijn maakt het er niet makkelijker op. Verschillende specialisten heeft zij samen met haar vader bezocht, voor zijn gehoor, het minder goed zien en voor wat de dochter denkt, beginnende dementie. Albert-zo heet haar vader- kan volgens het korte verslag wel wat hulp gebruiken. Ik merk dat er bij mij- al dan niet bewust- een beeld ontstaat van een oude man, moeilijk te been, een bril. En mijn conversatie met Albert zal iets luider zijn dan gewoonlijk. Ik ga er dan ook vanuit dat de zorg iets moeilijker gaat verlopen. Ook al is er geen bevestiging gekomen van de specialist voor een vermoedelijke dementie, de dochter geeft toch wel aan dat haar vader heel verward kan zijn.

Het is vroeg in de ochtend als ik aankom bij Albert zijn flat. Bij het aanbellen neem ik een afwachtende houding aan, ondertussen ben ik het gewend bij anderen dat het even kan duren vooraleer er een antwoord komt. Mijn verrassing is dan ook groot om meteen na het aanbellen een heldere mannenstem te horen die mij vriendelijk begroet. De deur geeft een zoemend geluid als deze uit het slot gaat. Bij het binnenkomen hoor ik een stem door de gang roepen,  ‘hallo, hallo hier is het.’

Voor mij staat een magere man zonder bril. Met zijn knokige hand geeft hij mij een stevige handdruk als ik me voorstel. Albert gaat me voor naar de living waar ik plaats neem aan een ronde houten tafel die geboend aanvoelt, in het midden ligt een gehaakte tafelloper met daarop een typische fruitschaal.

‘Hoe is je naam?’ vraagt Albert vriendelijk, terwijl hij  in zijn knokige hand een sleutelhanger vasthoudt waar hij aan frutselt. Zijn ogen kijken me lachend aan. Ik stel mezelf voor, wat ik bij het binnenkomen ook heb gedaan. ‘Zo,’ zegt Albert, ‘dat is een makkelijke naam. ’Hij herhaalt mijn naam een paar keer waarop ik vraag of hij al ontbeten heeft. Met een verbaasde uitdrukking-van wat vraag jij me nu- kijkt hij me aan. ‘Zeg schat, ik ben al een tijdje wakker hoor, mijn swanjeer (verpleger) is al geweest, het is er ene van een dubbele meter.’ Al lachend voegt hij er aan toe dat hij er een stijve nek van krijgt als hij zijn swanjeer aankijkt. ‘En weet je schat, mijne swanjeer die maakt mijn boterhammen, wel veel te veel. Maar ja, wat wil je? Hij is een dubbele meter. ‘Schat, hoe oud denk je dat ik ben?’  ‘Rond de tachtig?’  vraag ik aarzelend. Aan Albert zijn lach te zien en de stevige handdruk die ik krijg, merk ik dat hij best wel tevreden is met de leeftijd die hij opgespeld krijgt. Wie wordt er nu niet graag tien jaar jonger geschat? Plots kijkt Albert me doordringend aan en vraagt wat ik eigenlijk bij hem kom doen en hoe mijn naam is. Geduldig herhaal ik alles wat ik daarvoor vertelde, waarop hij met zijn vriendelijke stem eraan toevoegt dat zijn swanjeer weer weg is en de boterhammen te veel waren.

Om het gesprek op een ander onderwerp te brengen vraag ik wie er allemaal op de foto’s staan die in kaders op het dressoir prijken. Met veel enthousiasme begint Albert aan de voorstelling van zijn familie. Maar al te graag luister ik hoe hij honderduit praat over zijn vrouw die jammer genoeg al enige tijd overleden is. Zijn dochter die hij vaak ziet en zijn achterkleindochter . Het relaas gaat  tot de oorlog, waar hij even  kort zwijgt om vervolgens aan mij te vragen:  ‘Schat wist je dat ik een witte was?’ Nu heb ik al veel oorlogsverhalen gehoord maar het woord witte ontgaat mij. Lang hoef ik niet te wachten om de betekenis hiervan te weten. ‘Op mijn veertiende was ik een witte of een verzetsstrijder.’ Met trots doet Albert zijn relaas hoe hij tegen de Duitsers was, tijdens de oorlog. ‘Schat de oorlog dat was niet om te lachen, met die vliegende bommen. Toen er zo een bom viel, zat ik samen met mijn ouders en broers in de tuin. Wat een geluk dat wij niet in huis waren want onze meubels die stonden even later door de inslag ook in de tuin.

’ Zeg schat ga je mee naar het buurthuis want ik drink daar altijd een koffie op dit uur.’ Onderweg daarheen merk ik dat Albert nog best goed te been is. Zelfs zo goed dat ik mijn pas moet versnellen om op gelijke tred verder te gaan. Het samen arm in arm lopen, hoeft niet bij hem. En hoe dichter we bij het buurthuis komen hoe sneller zijn pas, joggen komt aardig in de buurt. Vlug vraag ik of het wat trager kan. Met een ontgoochelde blik kijkt hij me aan. Ik leg hem dan ook maar uit dat het voor mij te snel gaat. Met een soort van compassie zegt hij.  ‘Geeft niet schat, ik doe het wel wat rustiger, dan kan je makkelijker volgen.’ Het laatste stuk wandelen we gelukkig op een rustiger tempo. De kans op een valpartij is toch voor een groot stuk verkleind.

Dit buurthuis is Albert duidelijk gewoon, dat merk je zo aan de voor hem bekende gezichten en tot  zijn plezier een vrouwelijke turngroep die op dat moment haar bijeenkomst heeft en waar hij maar al te graag naar kijkt. ‘Schat kijk, die dame daar.’ Mijn blik dwaalt over de turngroep die juist begonnen is aan hun oefeningen. Met een luide stem gaat Albert verder, ‘Als die dame daar met haar achterwerk tegen de mijne komt dan vlieg ik tot de andere kant van de kamer.’ Ik kan niets anders dan hopen, dat de dame in kwestie deze opmerking door de iets luidere muziek niet hoorde. Naast mij is Albert nog altijd aan het nalachen om zijn opmerking . Heupwiegend doen de dames van de turngroep verder, waarop hij al lachend tegen me zegt: ‘Schat het zijn toch allemaal mooie madammen.’

Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe Albert al heupwiegend het ritme van de muziek volgt om even daarna stil te vallen en zijn blik te vestigen op mij. ‘Zeg schat, hoe is je naam?’ Ik herhaal mijn naam maar weet dat hij deze zal vervangen door, schat. Lachend kijkt Albert mij aan om vervolgens heupwiegend verder te  doen op de muziek. Een lach kan ik niet onderdrukken, als het beeld dat ik had van Albert voor het aanbellen in mijn gedachten opduikt.

Geschreven door: An de Bock

LAAT EEN REACTIE ACHTER

21 + = 29