Ik moet weg

0
1008

‘Wauw wat is het mooi weer vandaag!’ Je loopt naar buiten met een trui, een T-shirt, een pyjama, een trui en een vest. 34 graden geeft de thermometer aan. ‘Ja ik wil even wandelen, wie gaat er met mij mee?’ ‘Nou lieve schat, voor mij is het eigenlijk een beetje te warm om een grote wandeling te maken, daarnaast moet ik nog even wat dingen doen maar ik vraag mijn collega even.’ ‘Oh ja, nou ja, ik kan ook wel even naar mijn dochter lopen hoor het is maar een klein stukje. Dan kan ik even kijken hoe het met haar is.’ In jouw beleving woont je dochter aan het eind van deze straat. Helaas is dat niet helemaal waar. Wel ga je daar altijd koffie drinken met je dochter en je man. Ik vertel jou dat het nu veel te warm is om zo’n stuk te gaan lopen. ‘Nee hoor, het is niet te warm. Ik ging altijd op vakantie naar warme landen en dan gingen we ook altijd wandelen. Ik ben het wel gewend en kijk, ik heb genoeg kleren aan dus het komt wel goed hoor!’ Je loopt de gang op. Zoekende naar een uitweg maar je wordt van het kastje naar de muur gestuurd. ‘Vraag maar even aan de receptie waar je er uit kan.’ ‘Ja hoor, je mag wel een stukje lopen. Kijk, hier kun je de tuin in’, maar dit is niet wat je wilt. Mijn collega loopt een rondje met je mee maar dit is niet voldoende. Je wilt naar je dochter. ‘Mijn dochter is ziek, ik wil even kijken hoe het gaat!’ ‘Och lieve schat, ik heb haar gister nog gesproken en het gaat goed met haar. Ze is vandaag gewoon aan het werk’ ‘Echt waar? Heb je haar gesproken? Maar dan is ze om 3 uur vrij want dan gaat de school uit.’ ‘Ja, dat klopt.’ ‘Dan wacht ik wel even tot het 3 uur is dan kan ik daarna naar haar toe.’ ‘Dat lijkt mij een goed idee.’ Even lijk je gerust gesteld. Ik hoop dat je het idee, dat je dochter ziek is, los kan laten dat je de rust weer kan vinden. Maar niets is minder waar. Vijf min later zeg je weer weg te willen. ‘We gaan eerst even eten met z’n allen.’ ‘Dat is goed hoor, dan kan ik daarna wel naar mijn dochter.’ Ik zet de pannen op tafel en schep een bordje voor je op. ‘Nee hoor ik hoef niet, ik ga dat niet opeten, ik eet wel wat bij mijn dochter.’ ‘Maar je kan toch niet met deze hitte met een lege maag op pad? Dat lijkt me niet zo goed hoor, eet maar even een paar happen.’ Ik probeer je te motiveren en verzin allemaal redenen waarom je iets moet eten, maar je wilt het echt niet. Ook iets vervangend wil je niet aannemen, een beetje drinken gaat er ook niet meer in, want jij wilt naar je zieke dochter. Ik kan me het zo goed voorstellen. Maar de werkelijkheid is anders dan jouw beleving. Ik probeer je op verschillende manieren af te leiden, maar jij krijgt steeds meer argwaan.

‘Ze sluiten mij hier op! Ik mag geen kant op. Alle deuren zitten op slot, ik wil hier weg.’ Er ontstaat een discussie met medebewoners op de gang. Je komt bij mij en vraagt op een boze toon: ‘Waarom mag je de deur nou niet voor me open doen? Ik wil gewoon naar mijn dochter, ze is ziek!’ Ik haal je even uit de prikkels op de gang. De hele ochtend word je al heen en weer gestuurd. Van het kastje naar de muur en weer terug. Het doet wat met me. Ik zie je met je ziel onder je armen door het huis lopen. Ik wil je zo graag helpen. Maar, lieve schat, ik weet ook even niet meer hoe. We nemen plaats op een rustig plekje in de gang. Je kijkt mij met een angstige vragende blik aan. ‘Ik wil gewoon naar mijn dochter toe’, zeg je terwijl ik een paar puppy ogen naar me toe geworpen krijg. Wat zou ik je graag laten gaan, denk ik, maar het kan niet. Dat gaat echt niet goed komen. ‘Ik snap dat je graag naar haar toe wilt, maar ik kan en mag je echt niet alleen die kant op laten gaan, je woont bij ons omdat je af en toe een beetje hulp nodig hebt.’ ‘Ja, maar ik kan alles zelf! Ik help jullie zelfs altijd.’ ‘Dat klopt en daar zijn we heel erg blij mee. Maar soms laat je hoofd je een beetje in de steek en dan zijn wij er om je op te vangen. Dit maakt dat je soms in een andere wereld leeft dan wij en dit is erg lastig.’ ‘Ja maar de dokter heeft toen gezegd dat ik hier maar tijdelijk hoef te blijven.’ ‘Ja maar het is nu nog niet de tijd om naar huis te gaan.’ ‘Ja maar ik moet naar mijn ouders, mijn vader is erg ziek.’ ‘In welk jaar bent u eigenlijk geboren?’ ‘Ik ben in 1938 geboren.’ ‘Wauw! Dan heb je al een mooie leeftijd bereikt! Het is nu alweer 2019.’ ‘Ja dat weet ik wel hoor maar ik moet naar mijn ouders.’ ‘Je bent zelf al in de 80, hoe oud denk je dan dat je ouders zijn?’ ‘Nee ik ben niet in de 80 hoor ik ben vorig jaar geboren.’ Je pakt je robotkat stevig vast en gaat verder met je zoektocht naar een uitgang. Ik geef je nog een glimlach ‘Dankjewel voor het gesprekje maar ik moet er nu toch echt vandoor want mijn vader is ziek, ik moet voor hem zorgen.’ Ik laat je maar gaan. Na twee uur vind je eindelijk de rust om even in de huiskamer te komen zitten. Stil staar je voor je uit. Ik vraag me af wat er nu toch allemaal in je hoofd omgaat. Ik wens je nog een prettige middag en een beetje bezorgd sluit ik mijn dienst voor vandaag af. Dit in de hoop dat jij morgen de rust weer hebt gevonden en we er weer een gezellige dag van maken.

Geschreven door Monique

LAAT EEN REACTIE ACHTER

24 − 17 =