Paniek in de tent

0
1403

Luidruchtig komt ze haar kamer uitgereden. “Zuster, mijn tas is gestolen. Ik heb ‘m aan tafel al die tijd op schoot gehad en nu is ‘ie weg.” Ik bedenk dat het wat merkwaardig is dat zo’n tas gewoon van je schoot gestolen wordt, maar zeg dit maar niet. Nee, ik kan beter even helpen zoeken. Misschien heeft ze ‘m even op een ongebruikelijke plek neergezet.

In haar kamer is de tas niet te vinden. Ik kijk zelfs, op haar verzoek, onder haar kussen. Ook de badkamer wordt geïnspecteerd, want misschien staat de tas wel achter de wc of in het badkamerkastje. Maar nee, de tas is er echt niet.

De paniek slaat toe, ze wordt nog luidruchtiger dan ze al was en vervolgens krijgt mijn collega de schuld. Die heeft haar steunkousen net bij haar uitgetrokken en was dus in haar kamer. “Zij heeft hem natuurlijk verstopt.”

Omdat ik haar, toen ik het verpleeghuis binnen liep, beneden heb zien zitten loop ik naar het restaurant. Misschien is de tas daar gevonden. Ook al niet.

Mijn collega’s hebben geen flauw idee waar haar tas gebleven is. Mevrouw zelf is nog steeds in alle staten en beschuldigt “Jan en alleman” van diefstal. “Ik ga de politie er bij halen”, roept ze met haar wat harde, kijvende stem als ze richting de keuken rijdt waar wij de afwas wegwerken. Ja, met de hand, want de vaatwasser was vrijdag kapot gegaan. Zodoende moest er het hele weekend met de hand afgewassen worden. Dat is een hoop serviesgoed van vijftien bewoners.

“Misschien zit u op uw tas”, opper ik. “Dat kan toch niet, dat zou ik dan toch moeten voelen!”. Woest is ze dat ik zoiets durf te zeggen. “Wilt u misschien toch even opstaan?” Zij komt half overeind en ik vis de tas van de zitting van haar rolstoel. Je zou denken dat de paniek dan over is en de opluchting zegeviert. “Hoe heb ik dat nu kunnen doen?”, jammert ze en ze begint vreselijk te huilen. Terwijl ik de afwas verder wegwerk loopt mijn collega met haar mee om haar weer tot bedaren te brengen.

De enige andere bewoner die nog in de huiskamer zit kan niet praten, maar heeft het hele voorval gevolgd. Ik zie aan zijn ogen dat hij er om moet lachen. Ik loop even naar hem toe en zeg: “Dat is me toch ook wat hè? Zo beleven we tenminste nog eens iets.”

Geschreven door Wilma

LAAT EEN REACTIE ACHTER

− 3 = 5